Met de recente Kamerbrief “Decentrale ontwikkeling van het energiesysteem” (juni 2025) kiest het kabinet expliciet voor een koers waarin lokale en regionale schaalniveaus een structurele plek krijgen binnen de energietransitie. Dat is terecht. De energietransitie speelt zich immers steeds meer af in onze directe leefomgeving – van zonneparken in het buitengebied tot energiehubs op bedrijventerreinen en collectieve warmtenetten in stadswijken.

Toch blijft de vraag hoe deze beleidsambities daadwerkelijk vorm krijgen op lokaal niveau. In dit artikel reflecteer ik aan de hand van vier observaties op hoe de uitvoeringsrealiteit eruitziet, en hoe deze met gerichte beleidskeuzes beter zou kunnen aansluiten op de gewenste richting van het kabinet.

1. Van papieren synergie naar planologische integratie

De Kamerbrief benadrukt het belang van een gebiedsgerichte benadering waarbij energie en ruimtelijke ordening hand in hand gaan. In theorie klinkt dit logisch, maar in de praktijk zijn het vaak nog gescheiden werelden. Mijn casestudy in Amsterdam laat zien dat verdichtingsopgaven, woningbouw en warmtenetontwikkeling vaak langs elkaar heen gepland worden, met als gevolg knelpunten in netcapaciteit, vertraging in bouwprojecten, en frustratie bij lokale overheden.

Wat ontbreekt, is een daadwerkelijk geïntegreerde systeembenadering waarin energie niet als ‘randvoorwaarde achteraf’, maar als volwaardig onderdeel van ruimtelijke planvorming wordt behandeld. Dit vraagt om een versterking van het ruimtelijk instrumentarium, gekoppeld aan energiestrategieën op gemeentelijk en provinciaal niveau. Zo kan je bijvoorbeeld ruimtelijke besluitvorming aan netcapaciteitsinformatie koppelen.

 2. Sociale inpassing: eigendom en zeggenschap als sleutel tot acceptatie

De brief benoemt terecht het belang van lokale zeggenschap en financieel eigendom bij decentrale energieprojecten. Toch blijft onduidelijk wat dit concreet betekent. Onderzoek naar grondeigenaren in de Kop van Noord-Holland wijst uit dat weerstand tegen infrastructuur (zoals hoogspanningsleidingen) niet alleen draait om geld, maar om erkenning, rechtvaardigheid en vertrouwen. Participatie zonder daadwerkelijke invloed werkt averechts.

In casussen van windparken in Flevoland blijkt juist dat gedeeld lokaal eigendom, vroegtijdige betrokkenheid en duidelijke rolverdeling tot meer acceptatie leiden. Beleidsmakers zouden dus niet alleen financiële participatie moeten stimuleren, maar vooral inzetten op procesmatige zeggenschap.

3. Ruimtelijke spanning vraagt om regie en wederkerigheid

De Kamerbrief onderstreept dat netcongestie, woningbouw en landbouw allemaal concurreren om ruimte. Zo laat mijn analyse van de RES Flevoland 1.0 laat dat regionale samenwerkingen zoals RES-regio’s belangrijk zijn, maar vaak zonder formele doorzettingsmacht werken. Hierdoor blijft afstemming kwetsbaar en kunnen beleidsdoelen makkelijk worden doorgeschoven of afgeschermd.

Om hier verandering in te brengen, is het essentieel dat de nieuwe interbestuurlijke afspraken binnen de Interbestuurlijke Samenwerkingsagenda (ISA) gepaard gaan met juridische en financiële instrumenten. Denk aan het toekennen van budget aan RES-regio’s om gebiedsprocessen aan te jagen.

4. Decentraal is geen synoniem voor vrijblijvend

De Kamerbrief kiest terecht voor decentrale ontwikkeling, maar loopt het risico om de decentrale schaal gelijk te stellen aan vrijblijvende initiatieven. Terwijl uit mijn onderzoek blijkt dat decentrale energie-ontwikkeling vaak stokt als er geen duidelijke regie, kaders en ondersteuning zijn. In het geval van energiehubs op bedrijventerreinen is bijvoorbeeld gebleken dat het ontbreekt aan een organiserend vermogen, uiteindelijk is niemand de baas over het systeem.

Daarom is het van belang om decentraal niet te verwarren met vrijblijvend: succesvolle decentrale systemen vragen juist om lokale regie, bestuurlijke capaciteit en een gedeeld handelingsperspectief. Dat vraagt om ondersteuning vanuit het Rijk, maar vooral ook om erkenning dat decentralisatie tijd, structuur en continuïteit vergt.

Tot slot

De Kamerbrief laat zien dat het kabinet de juiste richting kiest door decentrale ontwikkelingen als bouwsteen van het energiesysteem te erkennen. Maar wie serieus werk wil maken van deze ambitie, moet ook de governance- en ruimtevragen die hieraan kleven erkennen. De transitie draait niet alleen om techniek of businesscases, maar om vertrouwen, rolduidelijkheid, gebiedsregie en het vermogen om tegenstrijdige belangen te verenigen.

Decentrale energiesystemen komen niet vanzelf. Ze vragen om bestuurlijke lef, institutionele innovatie en een diepere verbinding tussen beleid en praktijk. Dat is waar de echte transitie zich zal bewijzen.

Plaats een reactie

Trending